Door Tom Dehaene, Gedeputeerde provincie Vlaams-Brabant
‘Door vochtproblemen is de street art in de Paterskerk in Halle niet meer te redden.’ Het was een klein terzijde in de persartikels over de innovatieve renovatie van de Paterskerk. Maar die passage bleef me bij. De schitterende muurschilderingen van Smates vormden het decor voor het gedwongen afscheidsfeest van het Vlaams-Brabantse cultuurbeleid. Ze lijken symbool te staan voor het verdwijnen van de laatste restanten van het provinciaal cultuurbeleid, bijna 10 jaar na de geforceerde afslankingsoperatie waarbij de Vlaamse regering de provincies dwong om hun persoonsgebonden bevoegdheden op te geven.
Helaas moeten we nu vaststellen dat waar de provincies toen voor waarschuwden zichtbaarder wordt. De kleinere culturele organisaties kunnen niet concurreren met de grote spelers voor Vlaamse subsidies. De amateurorkesten, -toneelverenigingen en -koren verloren niet alleen hun beperkte financiële ondersteuning, maar ook de hele werking rond kwaliteitsverbetering waarin het provinciale cultuurbeleid voorzag. Het consulentschap, de vorming en adviezen waarmee de provincie kleine en middelgrote culturele initiatieven bijstond, het kreeg geen volwaardige opvolging vanuit Vlaanderen en het gaat de mogelijkheden van kleinere gemeenten te boven.
Er kwam destijds een transitiereglement voor projectsubsidies en later het Bovenlokaal Cultuurdecreet om de leegte van het provinciaal cultuurbeleid op te vullen. Maar begin dit jaar besliste minister Gennez al om voor kleinere bovenlokale projecten vanaf 2027 geen budget meer te voorzien. Bij de recente begrotingsbeslissingen koos de minister ervoor om het bovenlokale niveau nog eens een zeer zware slag toe te dienen door een bijkomend 4,7 miljoen euro te besparen. Naast de zware besparingen op bovenlokale musea, erfgoedcellen en amateurkunsten. Wat dit betekent voor steunpunt voor bovenlokale cultuur OP/TIL en de Intergemeentelijke Samenwerkingen voor cultuur (IGS) is voorlopig onduidelijk. Maar zonder twijfel zorgt deze besparing opnieuw voor minder ondersteuning voor lokale culturele organisaties met bovenlokale ambities en minder projectkansen. Opnieuw stijgt de druk op de gemeenten die ook nog een tragere groei van het gemeentefonds te verwerken krijgen.
Een hele laag van culturele organisaties en projecten, lokaal maar met bovenlokale ambitie, zal met die ambitie nergens meer terecht kunnen. We maken de voedingsbodem van ons cultuurbeleid kapot. Minstens even erg en onderbelicht: deze hele culturele laag van organisaties, musea, erfgoedinstellingen bevindt zich vooral in ‘de provincie’, in de kleinere steden en landelijke gemeenten. De grote organisaties en instellingen en de makers worden gespaard. Minister Gennez beweert zo de “kern van het cultuurbeleid te beschermen” en “de democratische en maatschappelijke kracht van cultuur” te vrijwaren. Maar deze instellingen en hun werking bevinden zich vooral in de centrumsteden. Die krijgen dus opnieuw een relatief groter deel van het almaar krimpende cultuurbudget én ze staan nog sterker bij het binnenhalen van projectsubsidies. De spreidingsgedachte in ons cultuurbeleid lijkt helemaal verleden tijd. Cultuur is voor centrumsteden, de rest van Vlaanderen wordt door de minister gedegradeerd naar de tweede klasse. Hiermee komt een belangrijke functie van ons cultuurbeleid onder druk te staan. Het zijn net deze lokale en bovenlokale initiatieven die mensen samenbrengen, laagdrempelig en dichtbij huis. Het is deze culturele laag die een dam blijft vormen tegen de atomisering en verzuring. Waar steeds opnieuw – zonder pretentie – vormgegeven wordt aan het samenleven in de verschillende regio’s van Vlaanderen. Dit dreigt allemaal verloren te gaan.
Welke uitweg is er dan uit deze neerwaartse spiraal? Ik geloof dat we een nieuwe visie nodig hebben op bovenlokaal beleid. Een visie waarin de verschillende bestuurslagen (gemeenten, provincie, Vlaanderen) eindelijk kunnen samenwerken in het belang van elke regio in plaats van het huidige model waarin bestuursniveaus voortdurend tegen elkaar worden opgezet. Cultuurbeleid kan hier, zoals wel vaker, een labo vormen voor het ruimere beleid. Een goed voorbeeld is alvast de samenwerking rond LOV2030, de erkenning van Leuven en de omliggende regio als Europese Culturele Hoofdstad in 2030. Van bij het begin koos Leuven ervoor om de hele regio en de provincie te betrekken in de kandidatuur en uitwerking van het programma, onder de noemer ‘Leuven & Beyond’. Zo kan er op een gelijkwaardige basis gewerkt worden aan meer en betere kunst en cultuur voor de regio en al haar inwoners, waarbij elk bestuursniveau bijdraagt volgens haar bevoegdheden, competenties en capaciteit. In een model gebaseerd op nabijheid, gezamenlijke financiering en regionale regie kunnen we opnieuw bouwen aan cultuurbeleid op maat van elke streek en elke gemeente.
De street art in de Paterskerk is niet meer te redden. Voor het bovenlokale cultuurbeleid is het nog niet te laat. Op voorwaarde dat het eindelijk naar waarde wordt geschat en niet langer laagje voor laagje ontmanteld.